Het midden- en kleinbedrijf vormt de ruggengraat van de Nederlandse economie. Dat blijkt niet alleen uit het aantal ondernemingen, maar ook uit de omvang van de kredietverlening. Nieuwe cijfers van De Nederlandsche Bank (DNB) laten zien dat bijna de helft van alle zakelijke leningen van Nederlandse banken uitstaat bij mkb-bedrijven. Tegelijkertijd betalen deze ondernemers gemiddeld een hogere rente dan grotere ondernemingen.
Volgens DNB hadden Nederlandse banken in maart 2026 ongeveer 340 miljard euro aan leningen uitstaan aan het bedrijfsleven. Daarvan kwam bijna de helft terecht bij het mkb. Daarmee blijft het mkb een belangrijke afnemer van bancaire financiering, ondanks de groei van alternatieve financieringsvormen zoals crowdfunding, factoring en directe kredietverlening door gespecialiseerde financiers.
Uit de cijfers van DNB blijkt, dat mkb-ondernemers gemiddeld 0,5 procent meer betalen voor hun financiering. De gemiddelde rente op uitstaande mkb-leningen bedroeg 3,6 procent, terwijl grote ondernemingen gemiddeld 3,1 procent betaalden.
Echter, in de praktijk zijn de rentetarieven veel hoger voor het MKB segment dan de DNB doet vermoeden in haar publicatie. Raadpleging van websites van de grote Nederlandse banken geeft actuele rentepercentages die liggen tussen 5%-9%. Idem zien we dat in de Financieringsmonitor 2023 (CBS).
DNB noemt verschillende oorzaken voor het renteverschil. Allereerst zijn de kredietbedragen bij mkb-bedrijven doorgaans kleiner. Voor banken brengt het verstrekken van een lening echter vrijwel dezelfde administratieve werkzaamheden en beoordelingskosten met zich mee, ongeacht de omvang van het krediet. Hierdoor liggen de relatieve kosten per verstrekte euro hoger.
Daarnaast beschikken banken bij kleinere ondernemingen vaak over minder informatie dan bij grote bedrijven. Grote ondernemingen publiceren uitgebreide jaarrekeningen, beschikken over professionele financiële afdelingen en hebben doorgaans een langere kredietgeschiedenis. Bij kleinere bedrijven is het risico daardoor moeilijker in te schatten.
Ook speelt de sector waarin een onderneming actief is een rol. Sectoren waarin relatief veel mkb-bedrijven actief zijn, zoals horeca, bouw en landbouw, kennen vaak grotere schommelingen in omzet en winstgevendheid. Dat vertaalt zich in een hogere risico-opslag op de rente.
Er is een duidelijke verklaring. Ongeveer 90% van alle financiering zijn gerelateerd aan vastgoed.
De rente op vastgoedfinanciering is lager dan de rente op werkkapitaal- of voorraadfinanciering omdat vastgoed voor de bank minder risico met zich meebrengt. Vastgoed vormt een sterk en duurzaam onderpand met een relatief stabiele waarde. Mocht de lening niet worden terugbetaald, dan kan de bank het vastgoed verkopen om haar geld terug te krijgen.
Bij werkkapitaal en voorraden is het risico groter. Voorraden kunnen verouderen, beschadigen of in waarde dalen, terwijl werkkapitaal vaak geen sterk onderpand biedt. Daarnaast zijn de kasstromen uit vastgoed, bijvoorbeeld huurinkomsten, vaak voorspelbaarder dan de inkomsten van een onderneming.
Omdat het risico voor de bank lager is bij vastgoedfinanciering, kan zij een lagere rente rekenen dan bij de financiering van werkkapitaal of voorraad.
De cijfers sluiten aan bij een eerder onderzoek van DNB naar de Nederlandse mkb-financieringsmarkt. Daaruit blijkt dat banken en niet-bancaire financiers gezamenlijk ongeveer 122 miljard euro aan financiering aan het Nederlandse mkb hebben verstrekt.
Hoewel banken nog steeds de grootste financieringsbron vormen, winnen alternatieve financiers terrein. Ondernemers kijken steeds vaker naar aanvullende mogelijkheden wanneer bancaire financiering niet volledig aansluit bij hun behoefte. Denk daarbij aan groeifinanciering, werkkapitaalfinanciering, leasingconstructies of financiering van bedrijfsovernames.
Deze ontwikkeling zorgt voor een bredere en meer diverse financieringsmarkt. Tegelijkertijd betekent dit dat ondernemers zich steeds beter moeten oriënteren op de verschillende mogelijkheden, voorwaarden en kostenstructuren.
Voor mkb-ondernemers onderstrepen de DNB-cijfers het belang van een goede voorbereiding bij een financieringsaanvraag. Een actuele administratie, realistische prognoses en een helder ondernemingsplan kunnen bijdragen aan een betere risicobeoordeling door financiers. In sommige gevallen kan dit zelfs leiden tot gunstigere financieringsvoorwaarden.
Daarnaast is het verstandig om niet uitsluitend naar het rentepercentage te kijken. Ook looptijd, aflossingsvoorwaarden, flexibiliteit en aanvullende kosten bepalen uiteindelijk de werkelijke financieringslasten.
Voor ondernemers die investeringen overwegen, blijft financiering ondanks de hogere rente een belangrijk instrument om groei mogelijk te maken. Zeker in een markt waarin digitalisering, verduurzaming en personeelsschaarste om voortdurende investeringen vragen.
Bronvermelding: Rapport DNB (2026) – Zakelijke kredietverlening